Een boom in de vlakte
Ginds staat een boom in de vlakte,
Een boom gebogen door de wind met grillige takken,
hij is alleen en onbemind,
geworteld in een tijd die kwam en ging.
Was ik een vogel, ik streek neer op een van zijn takken
en zong tot de zon onderging.
Was ik een kind, ik klom omhoog en zou mij verschuilen
voor een wereld die ik niet wil.
Was ik wijs en ouder, ik zat slechts mijmerend onder zijn takken stil.
Nu staar ik naar die boom en spiegel mij als in een droom
hoe het zou wezen die boom zelf te zijn.
Altijd zwijgend, wachtend daar in die vlakte:
mijn armen zijn de takken,
waarmee ik de vogels wilde ontvangen,
luisterend naar hun gezangen.
Het kind dat kwam schuilen, zou ik met mijn bladeren
willen verwarmen tot het niet meer zou huilen
en de mens die heel stil onder mij neerzat,
zou ik willen beduiden hoezeer God hem liefhad.
Ginds staat een boom in de vlakte, alleen maar niet meer onbemind,
grillig zijn z,n takken, gebogen door de wind.
Ik staar naar die boom en voel mij als het kind,
dat zich verschuilen wil, maar tevens de mens die
wijzer werd en stil.
english version
|
|